Tag: Wouter Van Bellingen

Sint-Niklaas erkend als kindvriendelijke stad.

Logo Kindvriendelijke stedenSamen met zes andere Vlaamse steden en gemeenten mag Sint-Niklaas zich de volgende zes jaar ‘kindvriendelijke stad’ noemen. Het label met internationale traditie bekroont steden en gemeenten die de rechten van het kind (0 tot 18 jaar) meenemen in het beleid.  Voor het eerst in Vlaanderen werd gisteren het label ‘Kindvriendelijke Steden en Gemeenten’ uitgereikt. Sint-Niklaas is met Gent, Hasselt, Mechelen, Meeuwen-Gruitrode,Turnhout en Wetteren de eerste stad die de titel mag dragen. ‘Die titel is er niet zomaar gekomen’, benadrukt schepen van Jeugd Wout De Meester (Groen). ‘Een jury bestaande uit UNICEF België, het Kinderrechtencommissariaat, de Vereniging Voor Steden en Gemeenten, Demos, de Vereniging voor Vlaamse Jeugddiensten, Hogeschool Gent, het Europees Netwerk Kindvriendelijke Steden en een expert Lokaal Jeugdbeleid beoordeelde van elke stad en gemeente een portfolio. Ook moest ons engagement naar de toekomst qua kindvriendelijkheid uiteengezet worden.’

Voor Sint-Niklaas begon dit traject al in 2011 onder toenmalig schepen van Jeugd Wouter Van Bellingen (SOS2012). De stad werd toen UNICEF Solidariteitsstad, en dat was de start van het traject kindvriendelijke steden van de Vereniging voor Vlaamse Jeugddiensten. ‘We werden toen doorgelicht’, zegt hoofddeskundige Jeugd Tim De Brabander. ‘Die doorlichting besloeg negen verschillende thema’s die invloed hebben op de leefwereld van kinderen en jongeren: wonen, mobiliteit, onderwijs, vrije tijd, ruimte en stadsplanning, veiligheid, gezondheid en welzijn, participatie en kennis van de leefwereld.’

Strategie voor toekomst

‘We zijn toen ter voorbereiding kinderen en jongeren gaan bevragen in een basisschool, in middelbare scholen, tijdens de Walburgconcerten, via een ouderbevraging aan schoolpoorten en via de stedelijke jeugdraad.

En dat gaf ons een uitstekend beeld van de noden.’

Het huidige stadsbestuur besloot om prioritair in te zetten op de thema’s mobiliteit, ruimte en participatie, en daarrond werd een toekomststrategie rond kindvriendelijkheid uitgewerkt.

‘Op het terrein zijn daar reeds enkele voorbeelden van terug te vinden’, zegt burgemeester Dehandschutter (N-VA).

‘Denk maar aan de twee bespeelbare kunstwerken in de stad, en de parkjes en pleintjes waar kinderen en jongeren hun recht om te spelen en te verblijven opeisten en ook kregen.’

De burgemeester en schepen legden een eed af in handen van Sam De Meester (10) van het vierde leerjaar van de Broederschool in Sint-Niklaas. Zij engageerden zich daarmee plechtig dat Sint-Niklaas steeds kindvriendelijk zal handelen, denken en plannen.

Nieuwsblad, PVL

‘Taboe op homoseksualiteit, betekent niet dat alle moslims homofoob zijn’

‘Dat er in bepaalde etnische minderheidsgroepen nog een groot taboe rust op homoseksualiteit betekent niet dat alle moslims of etnische minderheden homofoob zijn’, schrijft Merhaba vzw. ‘Onderzoek wijst uit dat slechts een kleine fractie van het holebigeweld uit deze hoek komt.’

Op een moment dat attitudes tegenover homoseksualiteit gebruikt worden om de grens te markeren tussen “wij” – homotolerante Westerlingen – en “zij” – homofobe Moslims – legt fictiereeks De Ridder de complexiteit bloot die heerst op het kruispunt van geloof, etniciteit en seksualiteit.

Na een avondje stappen in Gent wordt Mark in een Turkse buurt in elkaar geslagen, vermoedelijk om zijn homoseksuele geaardheid. Zijn echtgenoot – advocaat en holebi-activist – schuift de schuld in Turkse schoenen en plant een roze mars in de Turkse buurt uit protest tegen toenemend holebigeweld. Hij lijkt gelijk te krijgen wanneer kruidenier Faruk bekent: “die vuile homo probeerde mij te versieren en ik heb hem daarom in elkaar geslagen.” Maar de vele telefoontjes tussen Mark en Faruk onthullen de ware toedracht: de twee hebben een relatie, en angst en zelfhaat – geen homohaat – brachten Faruk ertoe zijn geliefde ineen te slaan. “De enige homo die Faruk haat”, zo stelt De Ridder “is de homo in zichzelf.” Maar dat publiekelijk bekennen zal hij nooit: Faruk gaat liever een paar jaar zitten dan ontmaskerd te worden als homoseksueel.

Als organisatie die zich inzet voor de belangen van holebi’s en transgenders uit etnisch-culturele minderheden zijn wij bij Merhaba opgezet met de aandacht die een fictiereeks besteedt aan een thematiek waar wij al meer dan een decennium rond werken. Wij maken dan ook graag gebruik van de populariteit van kijkcijferkanon De Ridder om aandacht te vragen voor twee gapende wonden, waar de makers van de reeks terecht de vinger op leggen: de precaire positie van holebi’s met niet-Westerse roots en de gespannen relatie tussen seksuele en etnische minderheidsgroepen.

Geaardheid angstvallig verborgen houden voor buitenwereld

Holebi’s met niet-Westerse roots – of het nu asielzoekers uit Oeganda betreft of Turkse Belgen van de derde generatie – bevinden zich omwille van meervoudige discriminatie in een bijzonder kwetsbare positie. Om te beginnen worstelen velen van hen dag in dag uit met het taboe rond homoseksualiteit in hun onmiddellijke omgeving. Een taboe dat vaak wordt geïnternaliseerd, met gebrek aan zelfacceptatie en psychologische problemen tot gevolg. In De Ridder wordt pijnlijk duidelijk hoe sommigen onder hen daarmee omgaan: ze leiden een dubbel leven, vechten tegen hun geaardheid, en houden ze angstvallig verborgen voor de buitenwereld. Als personen met een migratieachtergrond hebben deze mensen daarenboven vaak te kampen met discriminatie en (kans)armoede, hetgeen een bijkomende rem vormt op hun emancipatie. Voor vrouwen komt daar nog bij dat ze binnen hun familie vaak een beperkte bewegingsvrijheid genieten, wat hun relatievorming en seksualiteitsbeleving bemoeilijkt.

Dat er in bepaalde etnische minderheidsgroepen nog een groot taboe rust op homoseksualiteit betekent niet dat alle moslims of etnische minderheden homofoob zijn. Net zoals inspecteur El Zarkaoui uit De Ridder homofoob geweld afkeurt vanuit haar geloof, zijn er onnoemelijk veel moslims voor wie geloof en tolerantie voor seksuele diversiteit wél samengaan. De idee dat “zij” essentieel anders zijn dan “wij” inzake homotolerantie simplificeert dus de realiteit. Te meer omdat er ook onder autochtone Belgen veel (verdoken) homonegativiteit leeft, en een groeiend ethisch conservatisme in Vlaanderen (net als in verschillende andere West-Europese landen) holebi-rechten bedreigt.

Genderrolverwachtingen

De Ridder stelt tenslotte ook terecht de gespannen verhouding tussen holebi’s en de islamitische geloofsgemeenschap aan de kaak. Vele holebi’s hebben het gevoel dat de klok teruggedraaid wordt wanneer ze in contact komen met moslims, en dat ze opnieuw moeten vechten voor moeizaam verworven rechten. In hun terechte strijd om meer rechten en erkenning, vervallen velen echter zelf in een stereotiep wij/zij-denken dat niet zelden gepaard gaat met xeno- en islamofobie. Gemediatiseerde gevallen van holebigeweld door moslims worden uitvergroot en veralgemeend. Onderzoek wijst nochtans uit dat slechts een kleine fractie van het holebigeweld uit deze hoek komt, en dat machismo en normatieve genderrolverwachtingen (in welke groep dan ook) veel belangrijker verklarende factoren zijn.

In het belang van holebi’s met niet-Westerse roots is het noodzakelijk dat de kloof tussen deze twee minderheden overbrugd wordt. Dit begint vooreerst met het doorbreken van het wij/zij-denken en de stigmatisering aan beide kanten, en met het bespreekbaar maken van het taboe op (homo)seksualiteit. Het laatste waar iedereen – van welke origine of geaardheid ook – mee gebaat is, is een agressief, gepolariseerd debat. Daarom pleit Merhaba voor een constructieve dialoog en wederzijds begrip. Om het met de woorden van Helena De Ridder te zeggen: het lijkt ons niet verstandig dat twee groepen die het sowieso al moeilijk hebben in de maatschappij elkaar gaan uitdagen.

Klaartje Van Kerckem, Projectcoördinator Merhaba vzw

Recht op godsdienstvrijheid moet nu algemeen erkend worden.

Een Limburgse jongen met een Sikh-tulband heeft het verbod voor leerlingen op levensbeschouwelijke tekens in het Gemeenschapsonderwijs onderuit gehaald. De Raad van State stelt dat het verbod het recht op godsdienstvrijheid ondermijnt. “Wij zijn blij dat de rede zegeviert”, stelt Wouter Van Bellingen, directeur van het Minderhedenforum. “Wij vragen de inrichtende macht van het GO haar verbod op te heffen. Ook de Vlaamse en federale regering kunnen hier lessen uit trekken.”

De Raad van State deed in een arrest van 14 oktober 2014 een uitspraak over een beroep van een leerling van de Sikh-gemeenschap uit een Limburgse school. Die school verbood hem zijn tulband of patka te dragen. Dat verbod schendt volgens de leerling zijn godsdienstvrijheid en de Raad van State geeft hem daarin nu gelijk.

De school volgde met haar maatregel de omzendbrief van het GO. Dat mag zich volgens het Grondwettelijk Hof en de Raad van State wel uitspreken over een algemeen verbod, maar dan moet aan deze drie voorwaarden voldaan zijn: het verbod moet bij wet voorzien zijn, moet één van een reeks limitatief opgesomde doeleinden nastreven, en moet noodzakelijk zijn in een democratische samenleving. Aan die laatste voorwaarde is niet voldaan, oordeelt de Raad van State.

De weg naar volwassenheid

“Nogal logisch”, vindt ook Wouter Van Bellingen. “Het dragen van levensbeschouwelijke tekens door een leerling verhindert op geen enkele manier de vrijheid van andere leerlingen. Neutraal onderwijs betekent niet dat elke opvatting of religie dwangmatig uit je gezichtsveld moet worden gebannen. Het moet net betekenen dat alle religies naast elkaar mogen bestaan en dat jongeren op weg naar volwassenheid daarin zelfstandig keuzes leren maken.” De Raad van State oordeelt zelf in zijn arrest dat het verbod het pluralisme eerder bedreigt dan veiligstelt (zoals het Gemeenschapsonderwijs bepleitte).

Een kanon op een mug

“Het GO!-onderwijs heeft ook met een kanon op een mug geschoten”, vervolgt Van Bellingen. “Het Gemeenschapsonderwijs voerde haar verbod destijds in omdat twee Antwerpse scholen oordeelden dat er binnen hun muren een sociale druk was gekomen op meisjes om een hoofddoek te dragen, dat de vrijheid van anderen dus in het gedrang kwam. De Raad van State oordeelt nu dat er in de Limburgse school geen problematische situatie was die een verbod kon rechtvaardigen. Dit toont aan wat wij al lang zeggen: een algemeen verbod is compleet disproportioneel.”

Naar minder ongelijkheid

Het Minderhedenforum is van mening dat een hoofddoekenverbod in scholen de ongelijkheid tussen leerlingen nog vergroot. “Momenteel sluit 25 procent van de allochtone meisjes het middelbaar onderwijs af zonder diploma. Bij de autochtone meisjes is dat slechts 7 procent. Die kloof in België is de grootste van Europa”, stelt de directeur. “Een hoofddoekenverbod vergroot die ongelijkheid en moet daarom ongedaan worden gemaakt. Het ontmoedigt meisjes omdat die zich niet erkend voelen in wie ze zijn. Hetzelfde geldt voor jongeren uit de Sikhs-gemeenschap, die de tulband niet meer zouden mogen dragen. Geloof is een heel persoonlijke beleving die je niet op bevel kan aan- en uitzetten.”

Lessen voor de overheid

“Wij vragen niet alleen het Gemeenschapsonderwijs om bij de betekenis van dit arrest stil te staan. De Vlaamse en federale regering kunnen hier ook lessen uit trekken. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat wie een godsdienst aanhangt niet neutraal zou kunnen werken. En als dat dan al wel zou zijn, ga je daar echt niets aan veranderen door die persoon haar hoofddoek af te nemen”, oordeelt Van Bellingen. “Om personeel te beoordelen op zijn neutraliteit bestaan op elke hr-afdeling van elke organisatie evaluatiegesprekken. De vooroordelen van sommigen mogen de mensenrechten van vele anderen niet ondermijnen.”

Kuisen we snel de werkloosheidsstatistiekjes op, of zorgen we voor solide loopbanen?

Het nieuwe schooljaar is alweer flink op weg, ook voor mijn kinderen. Vol goede moed zijn ze er weer voor gegaan. Hun leraren ook. Die weten dat ze een belangrijke rol vervullen. Leraren kunnen kinderen ‘kraken of maken’, hoort men weleens zeggen. Gelooft een leraar in een leerling, dan gaat die leerling ook beter presteren. Dit ‘Pygmalion-effect’ was de belangrijke conclusie uit het beroemde Amerikaanse onderzoek van Rosenthal en Jacobson uit de jaren ’60. Ook Itinera zegt in haar recent onderwijsrapport dat goede leraren cruciaal zijn voor gelijke onderwijskansen en tegen sociale segregatie.

Het is dan ook goed nieuws dat de nieuwe minister van Onderwijs Hilde Crevits (CD&V) de werkomstandigheden voor leraren wil verbeteren. Leraren die zich goed voelen op school, hebben meer energie om positief om te gaan met hun leerlingen en om oog te hebben voor verschillende leerritmes en -stijlen van leerlingen.

‘Futiliteitscultuur’ ombouwen
Toch is er meer nodig. Leraren werken in een school en die school wordt geleid door een directie. We hopen dat minister Crevits dus ook oog zal hebben voor de cruciale rol van directies. Het zijn zij die in een schoolbeleid voortdurend hun aandacht moeten kunnen richten op gelijke onderwijskansen. In zijn doctoraatsonderzoek toont Orhan Agirdag bijvoorbeeld aan dat een directie een ‘futiliteitscultuur’, namelijk een cultuur van lage verwachtingen en een gevoel van nutteloosheid onder de leerlingen, daadwerkelijk kan ombuigen. De school moet dan volgens Agirdag resoluut kiezen voor een schoolvisie die uitgaat van het onderwijs als sociale hefboom. Het kan dus, als we er echt voor gaan.

Ook in het hoger onderwijs kunnen jongeren met een migratieachtergrond doorstromen. Opnieuw: als we daarvoor kiezen. Volgens Dirk Van Damme van de OESO is het alvast dringend. Met de opwaartse mobiliteit in het Vlaams onderwijs blijkt het namelijk verre van goed te zitten. Het Aanmoedigingsfonds voor diversiteit in het hoger onderwijs heeft nochtans een grote beweging op gang gebracht om ook jongeren met een migratieachtergrond meer kansen te geven in het hoger onderwijs. Die impuls hebben we duidelijk gevoeld.

Het Minderhedenforum is ook getuige van het feit dat studenten met een migratieachtergrond, al dan niet via hun studentenvereniging, wel degelijk jongeren uit hun gemeenschappen of eigen netwerken konden overtuigen om zelf de stap te zetten naar het hoger onderwijs. Het zou jammer zijn als de geplande besparingen deze nieuwe wind zouden gaan doen liggen.

Secundair onderwijs: eerste stap
De grote uitdaging ligt natuurlijk in het secundair onderwijs. Daar zit de kink in de kabel van de sociale mobiliteit. Een onderzoek van Simon Boone en Mieke Van Houtte toonde in 2007 al aan dat sociale afkomst bepalend is voor de studiekeuze aan het begin van het secundair onderwijs. Jongeren met een migratieachtergrond kiezen te weinig voorstudierichtingen die leiden naar het hoger onderwijs.

Daar moet dus de eerste verandering worden ingezet. Wij passen voor een onderwijssysteem dat op korte termijn denkt en deze jongeren vooral naar arbeidsmarktgerichte opleidingen doorverwijst. Dat brengt geen zoden aan de dijk. Je kuist er heel even werkloosheidsstatistiekjes mee op, maar voor een bestendige loopbaan is een stevig diploma hoger onderwijs nodig. De werkloosheid onder personen met een migratieachtergrond is in tien jaar verdubbeld, tot 27 procent. Met een cursusje VDAB bouw je geen carrière uit.

Return on investment
Laat ons als leerlingen, ouders, scholen en leraars, CLB’s en verenigingen samen goed nadenken over een goede studiekeuzebegeleiding. In die brainstorm zijn alle stemmen even belangrijk, laat ons niet te snel over het lot van jongeren oordelen. Minister Crevits stelt voor om al van in het vijfde middelbaar aan die voorbereiding op hogere studies te beginnen. Goed idee, laat ons universiteiten bezoeken, jong afgestudeerden op school over hun beroep en hun studies laten vertellen, ga in groep naar de kinder- of jongerenuniversiteit.

Een daguitstap om de juiste keuze voor je toekomst te maken? In besparingstermen: daar zit een goede return on investment in.

Dit opiniestuk verscheen op de Knack online.

“Bourgeois, toon nu ook daden” Opiniestuk uit Knack

Onder de vorige Vlaamse regering is de tewerkstellingsgraad van personen met een migratieachtergrond gedaald, tot 46,4 procent in 2013. Bij een doelstelling van 58 procent tegen 2020 is er dus nog niets bereikt. Bij alle andere kansengroepen nam de tewerkstelling toe. Toch tekent ook de nieuwe Vlaamse regering geen doelgericht beleid uit voor deze groep, zelfs al dringt de Europese Commissie daarop aan.

Minister-president Geert Bourgeois zette twee weken geleden de strijd tegen discriminatie boven aan de maatschappelijke agenda. Maar in zijn Septemberverklaring ontbreken alsnog de instrumenten om dit waar te maken. De Vlaamse regering is nog steeds kleurenblind in haar tewerkstellingsbeleid. Voor wie geboren werd buiten de EU lag in 2012 de werkloosheidsgraad maar liefst vijf keer hoger dan voor wie in België het levenslicht zag. Meer dan een kwart van de werkzoekenden heeft een migratieachtergrond. In geen enkele EU-lidstaat zijn minder mensen met een migratieachtergrond aan de slag dan bij ons. De nationaliteitskloof in de werkzaamheidsgraad bleef het afgelopen decennium ook constant en is zelfs drie keer hoger dan de gemiddelde nationaliteitskloof voor de hele EU. Dit alles kan alleen maar omdat ons tewerkstellingsbeleid faalt.

Doelgroepenbeleid
Het is dan ook niet verwonderlijk dat de EU al jaren aan de alarmbel trekt. Vorig jaar stelde ze in haar landenrapport dat de situatie van migranten op de Belgische arbeidsmarkt specifieke maatregelen vereist. Het probleem is immers complex, hardnekkig en zal niet vanzelf verdwijnen. Enkel een doelgroepgerichte aanpak werkt hier echt, dat bewijst de stijgende werkzaamheidsgraad van 50-plussers. Dankzij aanwervingspremies, RSZ-kortingen, loopbaanbegeleiding, wetgeving, een expertisecentrum leeftijd en werk en verplichte cao’s voor oudere werknemers, neemt de leeftijdskloof al tien jaar af.
Op etnisch-culturele minderheden bestaat die aparte focus vandaag niet en dat zien we aan de resultaten. In 2008 kwamen de Vlaamse regering en de sociale partners overeen dat tegen 2020 minstens 58% van de niet-EU-burgers aan de slag moest zijn. Toch ging hun werkzaamheidsgraad er de afgelopen legislatuur nog op achteruit. Ze daalde in vijf jaar tijd van 47,2% in 2009 tot 46,4% in 2013.

Ieder zijn verantwoordelijkheid
We roepen alle actoren op de arbeidsmarkt (VDAB en SYNTRA, sectoren, bedrijven, werkgeversorganisaties, vakbonden, kansengroepenorganisaties en de overheid) op om samen met ons rond tafel te zitten en een groeipad met streefcijfers op te stellen. Iedereen moet kunnen worden aangesproken op zijn verantwoordelijkheid om mensen met migratieachtergrond aan het werk te krijgen. Na tien jaar stimulansbeleid is één zaak pijnlijk duidelijk geworden: vrijblijvendheid levert anno 2014 onvoldoende vooruitgang op.

Flitspalen
De krachtige veroordeling van discriminatie door minister-president Geert Bourgeois is een stap in de goede richting, maar er is meer nodig voor een stevig handhavingsbeleid. Tegen verstokte snelheidsduivels helpen alleen flitscamera’s en boetes. Ook in discriminatie is er nood aan een proactief en repressief handhavingsbeleid. De Vlaamse regering kan proactief optreden. Ze kan haar eigen inspectiedienst uitrusten met – proactieve – onderzoeksbevoegdheden zoals praktijktests en mysteryshopping of het gebruik van statistisch materiaal. En meer bepaald voor de uitzendsector en de sector van de dienstencheques, waarover Vlaanderen voortaan volledig bevoegd wordt. Vlaanderen moet de vergunning van discriminerende interimkantoren en dienstenchequebedrijven vanaf nu ook durven intrekken. Ook hardrijders verliezen wel eens hun rijbewijs.

Handicap
Europa wijst erop dat de hoge arbeidskosten in ons land zorgen voor “een aanwervingspolitiek die risico’s schuwt en daardoor nefast is voor (onder meer) personen met een migratieafkomst” en vindt de staatshervorming een opportuniteit om de meer dan 100 RSZ-kortingen en maatregelen efficiënter en doelgerichter te maken. Met de staatshervorming krijgt Vlaanderen ook 1 miljard extra om zelf een doelgroepenbeleid uit te bouwen, maar de Vlaamse regering schrikt ervoor terug om personen met een migratieachtergrond hierin te erkennen. “Ze hebben toch geen handicap”, klinkt de redenering. Ze hebben die wel. Hun ‘handicap’ schuilt in een vergroot risico op discriminatie en daardoor ook op werkloosheid, een onstabiele job en een bijzonder laag loon, in niet-erkende buitenlandse diploma’s en werkervaring, in overkwalificatie en gaten in het cv. Naast leeftijd en handicap moet daarom ook migratieachtergrond als risicofactor en criterium worden erkend. Een verhoogde tegemoetkoming of lagere instapdrempel voor tewerkstellingsmaatregelen zal werkgevers over de streep trekken om bepaalde vooroordelen te overwinnen.

Maatregelen missen doel
Een groot deel van onze achterban kampt natuurlijk niet alleen met discriminatie maar ook met een gebrek aan scholing en opleiding. Met het Vlinderakkoord krijgt Vlaanderen alle sleutels in handen voor het volledige opleidings- en vormingsbeleid. De Vlaamse Regering moet deze nu prioritair durven inzetten voor de groepen die er het meeste nood aan hebben.

De tewerkstellingsmaatregelen en opleidingsinstrumenten die overkomen van het federale niveau zijn niet aangepast aan de diverse noden van personen met een migratieachtergrond. Ze staan vaak enkel open voor wie een werkloosheidsuitkering of leefloon krijgt en sluiten dus bij voorbaat nieuwkomers en herintreders uit. Studeren met behoud van leefloon is dan weer enkel een recht voor wie jonger is dan 25. Net als het stelsel van leren en werken is het dus niet toegankelijk voor oudere nieuwkomers. Hooggeschoolde migranten zoals juristen of ingenieurs stromen onze arbeidsmarkt in via artikel 60-jobs, interim of dienstencheques en daar is nog te weinig oog voor opleiding en doorstroming naar een job in het normale economische circuit. Of ze werken onvoldoende uren om een beroep te kunnen doen op educatief verlof.

Onze economie en onze samenleving kunnen het zich niet langer permitteren om al dat talent links te laten liggen. Wil de Vlaamse regering haar groeiambities waarmaken, dan moet ze eindelijk werk maken van de tewerkstelling van etnisch-culturele minderheden en de strijd tegen discriminatie in het aangekondigde Banenplan. Een nieuwe mislukking kunnen we ons niet meer permitteren. Alle kansengroepen moeten aansluiting vinden aan ons welvaartsmodel. We zijn de slechtste leerling van Europa, er worden ons tips ingefluisterd, we mogen dus niet hardleers blijven. Integendeel, nu wordt het tijd voor daden.

Dit artikel verscheen op de deredactie.be.