Leer jongeren vreedzaam vechten voor hun idealen.

Opiniestuk in De Morgen (30/12/2015) van Stijn Sieckelinck (België) is onderzoeker radicalisering aan de Universiteit Utrecht, David Kenning (Noord-Ierland) is adviseur radicaliseringsbeleid in Amsterdam, en Micha de Winter (Nederland) is hoogleraar pedagogiek aan de Universiteit Utrecht.

Terwijl al volop wordt teruggeblikt op 2015 als het annus horribilis wat terreur betreft, zijn de diensten in vele Europese hoofdsteden wederom in alarmerende staat van paraatheid. Wanneer de dreiging van extremisme zo acuut is, voelt de waarheid dat deze strijd slechts op lange termijn kan worden beslecht, nog ongemakkelijker aan dan anders. Toch moeten we inzien dat dit extremistisch geweld samenhangt met een getroebleerde sociale-identiteitsontwikkeling van jonge burgers die geen vrede vonden in en met hun leven in deze wereld.
Een van de aanslagplegers in Parijs, Bilal Hadfi, was nauwelijks twintig en toonde volgens één van zijn leraressen in Brussel een buitengewone belangstelling voor politiek, wat hem tot een interessante leerling maakte. Toch, zo blijkt uit de reconstructie van Douglas De Coninck (DM, 24/12), maakte zijn interesse in politiek snel plaats voor intolerantie en groeiende sympathie voor gewelddadige actie. Ook uit ons onderzoek met jonge idealisten en voormalige radicalen blijkt dat deze burgers in hun adolescentie en jongvolwassenheid met hun gevoelens en opvattingen over de ‘lelijke waarheden’ van de wereld geen kant op kunnen.
Tegen de mindset van terroristen valt bitter weinig te beginnen, en machteloosheid ligt al snel op de loer. Maar laten we niet vergeten dat in ongeveer elke biografie van voormalige radicalen een moment kan worden aangeduid dat de volwassenen in de omgeving meer hadden kunnen doen. Het probleem is vaak dat betrokken ouders of voormalige docenten zichzelf nauwelijks capabel achten om een rol van betekenis te spelen als het om radicalisering gaat. Het probleem is ook dat jongeren veelal geen geloofwaardig voorbeeld hebben van hoe je kan vechten voor een standpunt en daar winst uit halen zonder dat je je tegenstander hoeft te vernietigen.
Wij zien mogelijke oplossingen. Wij willen met docenten een programma voor vredeseducatie ontwikkelen waarin het centrale doel is dat jongeren leren om ‘vreedzaam te vechten’ voor hun idealen. In deze paradoxale oplossing leren scholieren dat vechten voor een idee positief bijdraagt aan de ontwikkeling en de samenleving als daarbij de tegenstander maar in zijn waarde wordt gelaten. Ze leren dat niet enkel over mensenrechten en gelijkheid van kansen gepraat wordt, maar ook de mogelijkheid wordt geboden om te ervaren welke energie er vrijkomt wanneer men daadwerkelijk iets op deze fronten kan veranderen in zijn omgeving. Denk aan de lamentabele logistieke en organisatorische staat waarin – zo blijkt uit het portret van De Coninck – de Anneessens-Funckschool in Brussel verkeert. Een context die schreeuwt om verandering, zou je denken, en waarvan je niet zou moeten willen dat leerlingen en ouders er zich koest over houden.
Een vredeseducatie die radicalisering serieus neemt, doet meer dan enkel ongewenst gedrag corrigeren, maar dringt door tot een dieper niveau: hoe zien onze leerlingen hun plek in deze samenleving en hoe denken ze hun positie te kunnen beïnvloeden? In deze vorm van educatie aarzelen getalenteerde docenten niet om de perverse mechanismen van gewelddadige radicalisering te bespreken met de leerlingen en draait zij evenmin om de heikele thema’s heen die juist nu zo dringend om discussie vragen: welke complottheorieën doen de ronde op sociale media? Hoe ver zou je zelf gaan om je identiteit te verdedigen tegen mensen die vinden dat hier geen plaats voor je is?
Daarnaast verlangt het van de school om verbinding te maken met andere professionals, opvoeders en religieuze leiders zodat er met meer gezag kan worden gewerkt aan het bieden van tegenwicht en alternatieve interpretaties waar jongeren weinig toegang toe hebben. Wij hebben dit eerder pedagogische coalities genoemd en zijn verheugd om te zien dat die op verschillende plekken in Nederland al gestalte krijgen.
Maar niet elke coalitie zal een jongere bij zijn voorsortering op het radicale pad kunnen stoppen. Daarentegen geniet wel elke jongere enige vorm van onderwijs.
Daarom zeggen wij: de zoveelste aanslagen waarbij jongeren een belangrijke rol hebben gespeeld, laten scherper dan voorheen zien dat sociale transformatie van scholen prioriteit heeft. Ze moeten zich beter bekwamen in het socialiseren van jonge mensen op het gebied van hun identiteitsontwikkeling. Zij zijn in de positie om hun leerlingen de waarde te laten ervaren van een strijdbare, maar tegelijkertijd vreedzame verhouding tot de rest van de samenleving.
Als onze landen inderdaad in oorlog zijn, moeten we als de bliksem werk maken van vredesopvoeding. Niet door kinderen samen in een kring zoete liedjes te laten zingen, maar door de conflicten die dwars door leerlingen, groepen leerlingen en de samenleving heen lopen als uitgangspunt te nemen van educatie.
DM, Stijn Sieckelinck (België) onderzoeker radicalisering aan de Universiteit Utrecht, David Kenning (Noord-Ierland) adviseur radicaliseringsbeleid in Amsterdam, en Micha de Winter (Nederland) hoogleraar pedagogiek aan de Universiteit Utrecht.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s