Dag: 7 juni 2014

Michael Franti: ‘Activisme blijft te veel in woede hangen’.

Michael Franti & Spearhead kwamen na vier jaar nog eens toeren in Europa. Onlangs speelden ze zowel in Gent (Handelsbeurs) als in Leuven (Het Depot). En in augustus komt de band naar eigen zeggen terug naar Europa, mogelijk naar Pukkelpop! DeWereldMorgen had een boeiend gesprek met Franti, één van de meest geëngageerde muzikanten.

Het was al even geleden dat jullie nog eens in Europa waren. Waar hield je je al die tijd mee bezig?

‘De voorbije jaren toerden we veel buiten Europa, vooral in de VS, omdat we daar de laatse jaren populairder werden. We zijn ook vaak de helft van het jaar onderweg. En binnenkort beginnen we in de VS aan de Soulshine-tour, een combinatie van yoga – wat ik al dertien jaar doe – en muziek. In elke stad waar we toeren, organiseren we yogalessen met bekende leraars. Het idee van een tour kwam er, nadat we vorig jaar in het Red Rocks-amphitheater vóór het concert 2000 mensen bij elkaar kregen die allen yoga deden op mijn akoestische muziek. Een geweldig succes!’

Vorig jaar brachten jullie het album All People uit. Waar verwijst de titel naar?

‘Met de titel wil ik de diversiteit vieren! In mijn ogen zijn alle mensen even belangrijk én ik geef hun die boodschap ook. Niemand mag uitgesloten worden. Op wereldschaal bekeken vallen er in het kapitalistische systeem ook heel wat mensen uit de boot. Als maatschappij moeten we ernaar streven om iedereen deel te laten uitmaken van die grote ‘wereldfamilie’, zoals ik het graag noem. Voor mij is dit de grootste uitdaging die een maatschappij zich kan stellen, al ben ik me er bewust van dat veel mensen niet met mij akkoord gaan.’

Vanwaar komt jouw maatschappelijke engagement eigenlijk?

‘Ik ben altijd al geïnspireerd geweest door gewone mensen die een verschil maken, zelfs op hele kleine schaal. Ik wou ook altijd het verschil maken. Dat heeft veel te maken met mijn jeugd, waarbij ik me als adoptiekind vaak eenzaam voelde. Dat heeft zich ook vertaald in het steeds opkomen voor de zwakkeren in de samenleving.’

‘Als ik terugkijk op mijn vele acties en politieke teksten, overvalt me het gevoel dat je zelf wel mensen kan inspireren, maar dat de maatschappelijk veranderingen er niet komen. Tegenwoordig hou ik me dus minder met de grote verhalen bezig, maar meer met kleinschalige projecten. Zoals met mijn gemeenschap in San Francisco, waar we proberen om mensen met een bepaalde ziekte naar concerten te krijgen of projecten die ik en mijn vrouw samen met de plaatselijke bevolking organiseren in de Filipijnen en Indonesië. Op die manier kan je jezelf en uiteindelijk de wereld veranderen!’

Dan ben je toch nog steeds gedreven…

‘Passie, daar gaat het om! Passie voor de muziek en voor de wereld. Maar passie bestaat uit twee delen, het positieve zoals liefde en het negatieve zoals woede. Als je onrecht ziet in deze wereld – and there is a lot of it! – dan maakt je dat kwaad en verspil je energie, maar dat verandert de zaken niet. Als je daarentegen met een positief alternatief komt, krijg je energie en verandert dat de zaken wel! Met die mentaliteit probeer ik tegenwoordig door het leven te gaan. Iets negatiefs in iets positiefs transformeren is trouwens helemaal niet zo gemakkelijk: er bestaat zelf geen woord voor.’

Transview, misschien…?

‘Goeie poging! In elk geval slagen we er moeilijk in om die verandering in de praktijk om te zetten: activisme blijft volgens mij te veel in woede hangen, terwijl het verder zou moeten evolueren naar iets constructiefs. Terwijl we het in tegendeel te veel opgeven! Als communicator blijf ik alleszins zoeken naar manier om mijn boodschap over dit onrechtvaardige economische systeem naar buiten te brengen. Meer op een emotionele manier in de vorm van muziek, dan op een rationele manier in de vorm van een speech, bijvoorbeeld. Chuck D van Public Enemy, die een eigen radiostation heeft, is ook bezig met die zoektocht. Veel heeft ook te maken met het onbekende of het verlies van eigenheid van de mensen en het daarom terugplooien op zijn eigen kleine wereldje.’

Doe je inderdaad nog spoken words?

‘Vroeger meer. Ik nam in het verleden al deel aan debatten en conferenties, zowel over muziek als over de maatschappij en sociale zaken. Af en toe doe ik nog akoestische optredens en spoken words. In de VS deed ik ook mee aan een spoken word-tour, de zogenaamde Spitfire-tour, met Jello Biafra, Indigo Girls en Ice T, waar we iedere avond ook spraken voor en met het publiek.’

Hoe blijf je eigenlijk geïnformeerd over de actualiteit in deze wereld?

‘Ik infomeer me op verschillende manier: van grote TV-stations als CNN en BBC, over serieuze kranten als The New York Times en lokale websites, tot allerlei sociale media. Je moet je gewoon overal goed informeren en je bewust van wie het nieuws brengt. Als zou ik zelf tegenwoordig bijvoorbeeld niet kunnen zeggen of nieuws over onze regering belangrijker is, dan foto’s die via sociale media verspreid worden…’

 In Europa hebben we sinds vele jaren sociale zekerheid. Met Obama-care werd door ook in de VS een begin van gemaakt. Hoe staat het daar vandaag mee?

‘Het uiteindelijke systeem van openbare gezondheidszorg staat ver af van de oorspronkelijke bedoeling. President Obama heeft veel toegevingen moeten doen aan de farmaceutische industrie, de verzekeringssector en de Republikeinen. Het bereikt ook maar een beperkt aantal mensen. Mensen geven Obama ook helemaal niet de schuld, maar reageren eerder gelaten op de huidige politieke en economische situatie.’

Christophe Devriendt, De Wereld Morgen

 

http://www.dewereldmorgen.be/artikel/2014/06/07/michael-franti-activisme-blijft-te-veel-in-woede-hangen

Wouter Van Bellingen over zijn adoptievader.

Wouter Van Bellingen met zijn adoptievader.

‘Je kan jezelf maar één keer verkopen’, zei zijn vader. En dus bleef politicus en sociaal ondernemer Wouter Van Bellingen vooral zichzelf. Ze delen geen bloedband, en toch is Van Bellingen ontegensprekelijk de zoon van zijn vader: principieel, dwars en zonder enig blad voor de mond.

Elke dag fietst hij met Casper (12) en Zita (10) in zijn kielzog naar school. ‘Net zoals ik met mijn vader deed’, glimlacht Wouter Van Bellingen. ‘Zelfs de route is bijna krak dezelfde. Ik geniet van onze dagelijkse tochtjes en gesprekken, zeker omdat ze zelfstandiger worden en hun eigen mening beginnen te ontwikkelen. Discussiëren is altijd een van mijn favoriete bezigheden geweest.’

En daarmee verraadt Van Bellingen wat hij nog steeds is: politicus in hart en nieren. Hij mag dan niet langer schepen zijn in Sint-Niklaas, engagement haal je niet zomaar uit het bloed. ‘Ik ben in de politiek gestapt omdat ik iets wezenlijks wilde veranderen’, zegt hij daarover. ‘En nu wil ik de bedrijfswereld meekrijgen door sociaal ondernemerschap te promoten. Let op mijn woorden: dat is de toekomst!’ Nu hij politiek minder actief is, is hij het die Zita en Kasper elke dag eten voorschotelt, en ervoor zorgt dat ze niet in zeven sloten tegelijk lopen. ‘Het doet deugd om een tijdje de verzorgende rol op mij te nemen, in alle luwte’, zegt hij.

Massahuwelijk op de Grote Markt van Sint-Niklaas

De laatste jaren zijn dan ook zwaar geweest. Van Bellingen haalde in 2007 voor het eerst de nationale pers toen uitlekte dat drie koppels weigerden om zich door een man met zwarte huidskleur in de echt te laten verbinden. Als reactie daarop hield hij op 21 maart 2007 een grote symbolische trouwpartij voor 626 koppels. Daarop werd de eerste zwarte schepen van Vlaanderen tegen wil en dank een tijd lang knuffelallochtoon en mediafiguur. ‘Ik heb me nooit de zwarte of de allochtoon gevoeld’, zegt hij daarover. ‘Dat ik en passant het beeld dat mensen van zwarte mensen hebben op een positieve manier beïnvloed, is mooi meegenomen. Maar de klemtoon ligt op mijn eigen ding doen.’ En daarmee is Van Bellingen ontegensprekelijk de zoon van zijn vader. Jef Van Bellingen mag dan misschien niet de natuurlijke vader van Wouter zijn, hij deelt met hem een groot aantal karaktertrekken. ‘Een nonkel van Katrijn, mijn vrouw stelde op mijn huwelijksfeest verbaasd vast dat iedereen van ons gezin op dezelfde manier lacht’, aldus Wouter. ‘En dat terwijl we geen bloedband delen. Dat vond ik een schoon compliment.’

Wouter is de jongste van vier, en werd in Antwerpen geboren met een Rwandese voor- en achternaam. ‘Ik heb die naam op mijn geboorteakte staan, maar ik heb hem nooit kunnen onthouden. Raar hé? Omdat het mijn naam niet is, denk ik. Het is niet wie ik ben. Ik ben meteen na mijn geboorte afgestaan, en mijn ouders zijn mij komen halen na een telefoontje of ze een zwartje wilden dat nog in de couveuse lag. Ze hadden al drie kinderen, Stef, Hilde en Veerle, die allemaal geadopteerd waren. Grappig genoeg is ons Veerle de vreemde eend in de bijt, zij was de enige die niet gekleurd was en veel mensen dachten dat zij het enige natuurlijke kind van mijn ouders was. We lachten er altijd mee aan tafel. ‘Veerle komt uit de bloemkool, Hilde uit de maïs, en ik uit de maniok’, zei ik dan.

Wouter Van Bellingen (tweede van rechts) met zijn broer Stef en zussen Hilde en Veerle, ook alle drie geadopteerd.
Wouter Van Bellingen (tweede van rechts) met zijn broer Stef en zussen Hilde en Veerle, ook alle drie geadopteerd.

Onbuigbare principes.

Het was een allegaartje, maar dat vonden wij maar normaal. Want we kregen in de weekends en in de vakanties ook nog eens een aantal pleegkinderen over de vloer, en ons huis zat toen ik klein was altijd vol met bezoekers. Kunstenaars zoals Ferre Grignard en Jan Decleir, maar ook advocaten, politici en verschoppelingen. Er werd luid gediscussieerd en er werden plannen gesmeed om bijvoorbeeld het klassensysteem in de katholieke kerk aan te klagen, of om de Vlaamse ontvoogdingsstrijd te steunen. Spannende tijden waren dat, de BOB heeft zelfs ons huis nog eens doorzocht omdat ze mijn ouders verdachten. Dat was ook een beetje de schuld van mijn vader. Die was enorm principieel, en dus moesten we respect hebben voor alle meningen, vond hij. Zelfs al kwam je daardoor in de problemen, hij vond dat je maar beter trouw bleef aan je principes, zodat je jezelf elke dag in de spiegel kon kijken. ‘Je kan jezelf maar één keer verkopen’, zei hij me altijd. Ik heb het vaak genoeg gezien in de politiek dat mensen hun waarden en principes verloochenen in functie van hun carrière. Maar ze vervreemden van zichzelf en de mensen om hen heen, en eindigen altijd eenzaam aan de top. Dat is me nooit overkomen, en dat heb ik in grote mate aan mijn vader te danken. Soms heb ik hem er ook wel voor vervloekt, want het wordt je niet altijd in dank afgenomen dat je je waarden verdedigt. Het maakt een onbuigbaar mens van je, een dwarsligger, en dat heeft me – net zoals hem, denk ik – soms wel parten gespeeld in mijn carrière.

Alles bespreekbaar

Maar ik heb gelukkig een olifantenhuid, en dat is dan weer iets wat ik thuis heb geleerd (lacht). Aan tafel ging het er altijd nogal verhit aan toe tijdens discussies, in die mate zelfs dat Katrijn echt gechoqueerd was toen ze voor het eerst bij ons thuis kwam eten. We moesten nooit een blad voor de mond nemen, alles was bespreekbaar. Net daarom kregen we ook op andere vlakken enorm veel vrijheid, want mijn ouders wisten wat ze aan ons hadden. Ik kon bijvoorbeeld uitgaan zo laat ik wilde, zolang ik maar een goeiedag ging zeggen aan mijn ouders als ik thuis kwam. Maar ik wist ook: dat moest ik niet zat doen. Aan vrijheid werd dus verantwoordelijkheid gekoppeld, en dat was zo van kleinsaf aan. Dat is iets wat ik enorm waardevol vind en ook bewust zo aan mijn kinderen doorgeef. Zo komt Casper ’s avonds op zijn eentje naar huis. Soms gaat hij eerst eens langs bij mama, en soms blijft hij daar  samen met zijn neef en nichtjes slapen. En dat vind ik geen probleem, zolang hij het op voorhand vraagt en me laat weten waar hij is. Mijn vrouw heeft het daar soms moeilijker mee, omdat ze anders is opgevoed. Maar ik ben ervan overtuigd dat hij op die manier leert om met vrijheid om te gaan, en om de juiste keuzes te maken. Want binnenkort komt hij als puber in een wereld waar je als ouder niks van af weet, en ik hoop dat hij tegen dan genoeg ervaring heeft om zich niet te laten verleiden tot stomme stoten.

Wouter Van Bellingen met zijn vrouw Katrijn en hun kinderen Casper en Zita.

Gekleurde wortels.

Ik heb lang getwijfeld of we wel aan kinderen moesten beginnen, omwille van mijn huidskleur. Ik weet nog goed hoe ik doorAntwerpen liep na Zwarte Zondag in 1991, en hoe ik mezelf voorstelde dat één op vier inwoners van de stad op het Vlaams Blok had gestemd. Dat heeft een diepe indruk nagelaten. Ik merkte ook hoe weinig er au fond veranderd was. Bij de scouts was ik, de eerste met een kleurke in de nationale vergadering, nog gestart met een project om meer diversiteit – zowel qua achtergrond als qua gezondheid – te introduceren. Maar de scouts waren na al die jaren nog steeds overwegend niet-gekleurd, waar kinderen zonder en met een fysieke beperking apart speelden. Ik heb er dan ook lang met mijn vrouw over gebabbeld, maar uiteindelijk hebben mijn ouders me overtuigd om er toch aan te beginnen. Mijn vader zei: ‘Je kan je kinderen instrumenten meegeven om hen te wapenen tegen de buitenwereld, zoals jij dat doet met humor.’ En hij had natuurlijk gelijk. Zij zijn daarin geslaagd bij ons, waarom zou ik dat niet kunnen? Maar voor hen was huidskleur nooit een issue, waardoor ik mezelf nooit als anders heb beschouwd. Het was de buitenwereld die het me langzaamaan duidelijk heeft gemaakt dat ik niet helemaal gelijk was aan anderen. Laatst ging ik bijvoorbeeld naar een creativity talk bij Vlerick, en daar zeiden ze ‘gelukkig hebben we Wouter Van Bellingen nog’. Ik was de enige gekleurde tussen tachtig aanwezigen. Misschien is dat mijn rol in deze wereld: de weg vrijmaken.

Het was nooit mijn bedoeling, maar het gebeurd toch. Dat merkte ik ook toen ik bij het Afrikaans platform werd uitgenodigd. Mensen kwamen me er zeggen dat ik een rolmodel ben voor hun kinderen. Soms klinkt dat vreemd, want ik voel me door en door vlaams. Langs de andere kant: ik ben nog nooit in Rwanda geweest. Misschien omdat ik bang ben dat het iets zou losmaken wat ik altijd heb genegeerd. Met mijn kinderen wil ik de reis over een paar jaar wel graag maken, als zij zich vragen beginnen te stellen bij hun wortels. Tot nog toe is daar weinig over gepraat, ook niet nu ik veel bij hen ben zoals de laatste jaren. Ze bewegen zich dan ook in een meer gekleurde wereld dan ik, zowel op school als tijdens hun hobby’s. En we zijn ook altijd open geweest over hun huidskleur, en welk effect dat op mensen kan hebben. Het is ook een grappig zicht als we allemaal op een rijtje staan: mijn vrouw is heel erg bleek, mijn dochter is lichter dan mijn zoon, en ik ben het donkerst. Het past perfect.’

Barbara Seynaeve, Psychologies Magazine, april 2014