Dag: 27 maart 2012

Jongeren en politiek: vraag en aanbod

De uitzending van Terzake vorige week over de jongerenafdelingen van politieke partijen heeft heel wat reacties losgeweekt, om te beginnen bij de politieke partijen zelf. De vaststelling dat er nog maar weinig jongeren zijn die zich willen engageren in een politieke partij, krijgt ook gemakkelijk weerklank omdat ze past bij een bepaald vooroordeel dat in elk al leeft. We horen graag dat jongeren niet meer geïnteresseerd zijn en niet meer bereid zijn zich in te zetten. In werkelijkheid ligt het verhaal net iets ingewikkeld en zoals steeds moeten we hierbij rekening houden met zowel de vraag (de jongeren die zich willen engageren) als met het aanbod (de organisaties waarbinnen ze zich kunnen engageren).

De cijfers die in de uitzendingen werden geciteerd zijn juist natuurlijk: het aantal jongeren dat nog de weg vindt naar een politieke partij ligt laag, en daalt nog zienderogen. De Belgische politieke partijen volgen daarmee een internationale trend. In zowat alle landen zien we dat het ledenaantal van politieke partijen daalt. Diegenen die nog lid zijn (en dat zijn dan inderdaad vooral wat oudere burgers), blijven nog wel trouw hun lidgeld betalen, maar de partijen hebben het steeds moeilijker om nog voldoende jongere leden aan te trekken.

Dat betekent dat politieke partijen steeds minder in staat zijn om nog echt te vertolken wat er in de samenleving gebeurt. In 1987 hadden alle Belgische politieke partijen samen nog 634.000 leden. Dat is een enorm groot aantal, en het betekende in de praktijk dat één op de tien kiezers lid was van een partij. Dat betekende ook dat iedereen wel iemand kende die partijlid was, en die leden functioneerden als een enorm groot reservoir van vrijwilligers. Tijdens verkiezingscampagnes konden partijen ook een beroep op die vrijwillige inzet. Dat is nu voor een flink stuk verleden tijd, en dat betekent dat politieke partijen hun verkiezingscampagnes nu volledig laten bepalen door professionele marketingbureaus.

Minder leden

Zo goed als alle politieke partijen verliezen dus leden, en er zijn niet zo veel uitzonderingen op die regel. Het ledenaantal van de N-VA stijgt natuurlijk spectaculair en die partij zit nu boven de 30.000 leden. Maar als je rekening houdt met de 1.250.000 kiezers van die partij is dat helemaal niet veel. Het betekent immers dat één kiezer op veertig effectief lid wil worden van de partij, en dat is ver beneden de verhouding van één op tien die de grote partijen een kwart eeuw geleden kenden. Ook de Volksunie had toen meer dan 50.000 leden, terwijl die partij veel kleiner was.

Terwijl de N-VA groeit en ook jonge leden aantrekt, zien we aan de andere kant van het spectrum CD&V staan, een partij die te kampen heeft met een sterk verouderend ledenbestand. Hier zien we het levensgrote dilemma voor die partij. CD&V blijft als geen ander een sterke beleidspartij, die in staat is zeer gewaardeerde beleidsvoerders als Herman Van Rompuy, Steven Vanackere en Kris Peeters af te leveren. Maar tegelijk zien we dat vooral jongeren en hoogopgeleide stedelingen die partij helemaal niet meer als aantrekkelijk en mee met de tijd ervaren. In de twee grootste steden van Vlaanderen, Gent en Antwerpen, bestaat CD&V nauwelijks nog en speelt ze totaal geen rol bij de komende gemeenteraadsverkiezingen. Als de partij haar leidinggevende rol in de Belgische politiek in de toekomst wil bewaren, dan zal ze zich toch dringend moeten bezinnen over haar aantrekkelijkheid bij jongeren. Dat is meer dan zomaar een marketingoperatie: het is bijzonder moeilijk om het traditionele christen-democratische gedachtegoed te verzoenen met de waardeoriëntaties die nu eenmaal dominant zijn geworden in de westerse samenleving.

Engagement

Jongeren en politieke partijen vormen dus inderdaad een moeilijke combinatie. Maar het is verkeerd hieruit te besluiten dat jongeren de weg naar de politiek niet meer vinden. Het omgekeerde is waar: jongeren engageren zich juist volop voor allerlei initiatieven, alleen niet meer voor politieke partijen. De politieke partijen zijn dus helemaal atypisch en zij volgen niet de trend van andere verenigingen en vormen van engagement. Onze onderzoekseenheid heeft vorig jaar een grootschalig onderzoek gedaan bij 21-jarige jongeren, en daaruit blijkt dat zij behoorlijk actief zijn. Ongeveer dertig procent houdt bij zijn/haar aankoopgedrag rekening met politieke en ethische overwegingen, 40 procent geeft geld aan een goed doel of tekent een petitie en 10 procent heeft het afgelopen jaar deelgenomen aan een betoging of protestactie. Dat zijn heel normale cijfers, die perfect in lijn liggen met wat oudere bevolkingsgroepen doen. Jongeren zijn dus net zo sterk geëngageerd als de andere leeftijdsgroepen.

Het enige verschil is dus dat ze niet langer de weg vinden naar politieke partijen. Dat heeft niet enkel met ideologie te maken. Bij Groen kun je er nog van uit gaan die partij een ideologie heeft die jongeren aanspreekt, maar toch zie je dat ook die partij op ongeveer vijfduizend leden blijft steken.

Partijen veranderen

Er is dus wel degelijk een kortsluiting tussen jongeren en de politieke partijen. Vanuit de kant van de jongeren is er duidelijk een zekere aarzeling om zich nog echt te binden. Een partijlidmaatschap is inderdaad een tamelijk definitieve stap, en door lid te worden geef je aan dat je je toch voor langere tijd wilt verbinden aan één specifieke partij. Jongere leeftijdsgroepen willen zich duidelijk nog wel engageren, maar dan niet meer voor een dergelijke langere termijn. Maar omgekeerd moeten we ons ook afvragen of politieke partijen nog wel zo geïnteresseerd zijn in jongere leden. Politieke partijen zijn professionele campagne-machines geworden, die nu reeds volop allerlei strategische spelletjes spelen met het oog op de gemeenteraadsverkiezingen van 2012 en de federale en regionale verkiezingen van 2014. Jonge leden, die misschien over tien of twintig jaar zullen doorgroeien, zijn helemaal niet interessant als je enkel op korte termijn denkt.

Het feit dat jongeren helemaal niet meer de weg vinden naar politieke partijen is dus helemaal niet zo erg, en het heeft ook – en vooral – te maken met de manier waarop politieke partijen tegenwoordig functioneren. Als je bijvoorbeeld kijkt naar een initiatief als de G1000, dan viel het op dat veel jongeren daar meteen enthousiast over waren en ook bereid waren zich vrijwillig in te zetten. Maar een initiatief als de G1000 toont ook meteen de Achillespees aan van al dat nieuwe engagement: heeft het in de praktijk ook enig effect? De goede wil is er duidelijk wel, maar ook in de politiek spelen wetten en praktische bezwaren helaas een belangrijke rol. Een boodschap op een Facebook-pagina zetten blijkt in de praktijk onvoldoende om ook echt iets te veranderen.

Marc Hooghe

(De auteur doceert politieke wetenschappen aan de KU Leuven en de Universiteit van Mannheim)

De redactie.be