Dag: 4 januari 2012

Verdediger van de verzorgingsstaat, tot de allerlaatste snik.

Er is nog een postuum boek van historicus Tony Judt uitgekomen, een bundeling gesprekken. Ze vertrekken van zijn eigen levensloop en waaieren van daar uit naar de hele geschiedenis van de 20ste eeuw. Een mooie samenvatting van zijn denken, maar er valt weinig nieuws te rapen voor wie zijn werk volgde.

Tony Judt stierf aan de gevolgen van ALS, een ziekte die zijn lichaam verlamde maar zijn geest onaangetast liet. In de laatste zes maanden van zijn leven praatte hij vanuit zijn rolstoel en zijn ziekbed met een jonge collega-historicus, Timothy Snyder, dagen lang over zijn eigen leven en werk. Dat bood aanknopingspunten te over om het over zowat alles te hebben.

 Judt was de zoon van uit Oost-Europa gevluchte Joden, en dus is de Tweede Wereldoorlog nooit veraf. Als vijftienjarige was hij een overtuigd socialistisch zionist. Zijn doctoraal behaalde hij in Parijs met een studie over het vroeg-Franse socialisme in het begin van de eeuw. Gaandeweg ging hij steeds meer Midden-Europa bereizen en bestuderen, tot hij in Amerika zijn eigen onderzoeksinstituut kreeg en zich daar als publiek intellectueel tegen de oorlog in Irak uitsprak.

Langs dat rijk gevulde en alle richtingen op meanderende levenspad praten de twee vooral over de rol van intellectuelen en de ideeëngeschiedenis in de twintigste eeuw, en wat hen als het boeiendste verhaal van de vorige eeuw voorkomt: “Hoe konden zo veel intelligente mensen zichzelf de verhalen wijsmaken die zulke verschrikkelijke gevolgen zouden hebben?” Hoe kon het dat zo vele vooraanstaande geesten zich, terwijl ze beter hadden kunnen weten, lieten verleiden door het communisme en het fascisme? Het is haast een wonder te noemen dat onze samenleving zich uiteindelijk toch ontwikkeld heeft tot een open en democratische verzorgingsstaat, voor het eerst bedacht door de liberale en sociaaldemocratische denkers uit de 19de eeuw.

Antisemitisme

Tony Judt heeft geen probleem met duidelijke uitspraken. Als intellectueel wonderkind ging hij op zijn vijftiende in de kibboets werken, en toen had hij al een halve bibliotheek marxistische en andere literatuur achter de kiezen. Maar iets in hem maakte hem tot buitenstaander. Hij was altijd degene die als eerste de mythes en de verhalen die anderen gebruiken om zich te verrechtvaardigen, doorprikte. Van zionist werd hij zo een hartstochtelijk criticus van de staat Israël: “Dit is een land dat zijn buren verachtte en op het punt stond zich in een catastrofaal, generaties durend conflict te storten door grondgebied van die buren in te pikken en te bezetten. Ik vind dat men als Jood de verantwoordelijkheid heeft Israël hevig en onomwonden te bekritiseren – op een manier die niet-Joden zich niet kunnen permitteren vanwege de de dreiging van de valse, maar doeltreffende beschuldiging van antisemitisme. (…) Je moet onderscheid mogen en kunnen maken tussen de staat Israël en de Holocaust, omdat die laatste geen dienst mag doen als een kaartje ‘Verlaat de gevangenis zonder te betalen’.”

Dat thema, de strijd tussen de opdracht van de historicus om de feiten boven te spitten en de mythes die latere generaties van deze feiten maken, loopt als een rode draad door de gesprekken. Of het daarbij over de Spaanse Burgeroorlog gaat, de oorlog in Irak, de vraag of stalinisme dan wel nazisme het ergste systeem was: steeds weer zorgen de verhalen errond ervoor dat ook verstandige mensen reisgenoten worden van abjecte machtssystemen, en daar ook in blijven geloven. De ideeënstrijd tussen Camus en Sartre staat model voor de intellectuele strijd van die twintigste eeuw.

 “Begrijpen is voor mij gaandeweg belangrijker geworden dan gelijk hebben”, zegt Tony Judt ergens, want zelden zijn de echte geschiedenisverhalen die van een strijd tussen goed en kwaad, zwart en wit. Meestal is er alleen plaats voor nuance en grijstinten. Maar met de regelmaat van een klok wordt het evenwicht in de samenleving op het spel gezet omdat de één of andere denkrichting een soort waarheidsabsolutisme claimt en uitgroeit tot het meerderheidsdenken.

 Het laatste voorbeeld daarvan is de ideeënstrijd tussen de denkbeelden van Keynes, verantwoordelijk voor de grootste economische én sociale ontwikkeling van de afgelopen eeuw, en de herauten van de Chicago School, die het absolute vrijemarktdenken omarmen. Het resultaat zien we nu: een ongereguleerd financieel systeem is gecrasht, volgens de aloude marxistische these dat het kapitalisme uiteindelijk aan zijn eigen excessen ten onder zal gaan. Wenend zijn de bankiers dan maar terug naar de overheid gelopen om hun faillissement te vermijden, de rekening doorschuivend naar de staatsbegrotingen en dus de belastingbetaler.

 Judt argumenteert vrij overtuigend dat de cultus van de hebzucht, de miljardenbonussen en het primaat van de markt relatief jonge fenomenen zijn. Het was de gezamenlijke aanval van Ronald Reagan en Margaret Thatcher op de staat die het begin van deze periode inluidde. Pas sinds die leiders werd de overheid niet langer als een oplossing van maatschappelijke problemen beschouwd, maar als het probleem zelf.

 Judt maakt de interessante analyse dat hun economische goeroes allemaal van de universiteit van Chicago kwamen, en dat die op hun beurt gevoed werden door een groep denkers zoals Friedrich Hayek, Karl Popper en Joseph Schumpeter. Al deze mensen kwamen uit het Oostenrijk van het interbellum, waar ze diep getroffen werden door het onvermogen van de toenmalige socialistische leiders en hun poging tot planeconomie om het nazisme tegen te houden. Daarop kwamen ze tot de conclusie dat de enige manier om een open en liberale samenleving te behouden erin bestond de overheid zo ver mogelijk buiten het economische leven te weren. Het is eigenaardig, betoogt Judt, dat een daarom niet eens onterechte analyse van een specifieke nationale situatie in 1930 in de jaren tachtig zou uitgroeien tot een wereldwijd gepromoot model van anti-etatisme. Zeker omdat de rest van de geschiedenis eigenlijk het omgekeerde bewijst.

Onzichtbare hand

De glorieuze dertig jaren van economische ontwikkeling na de Tweede Wereldoorlog kwamen er immers niet door een socialistische planeconomie, maar werden wel degelijk mee gecreëerd door sterke overheidsbemoeienis. Van de ‘New Deal’ van Lyndon Johnson, via het Marshallplan, tot het Wirtschaftswunder in Duitsland: overal kwam de vooruitgang tot stand doordat de overheid ingreep, en overal ging die economische ontwikkeling hand in hand met het ontstaan van een socialezekerheidsstelsel dat de grootste ongelijkheden moest uitschakelen. Planning, progressieve inkomstenbelasting, hoge publieke uitgaven en zelfs genationaliseerde sectoren brachten na de verschrikking van WOII een samenleving tot stand met een gelijkmatige economische groei voor iedereen, met toenemende gelijkheid en sociale harmonie. Keynes, de econoom die dat systeem uitdacht en verkoos boven de onzichtbare hand van de markt, is voor Judt dan ook zowat de meest geniale mens van de afgelopen eeuw.

 Het voordeel van dit boek is dat je het nog eens allemaal handig op een rijtje krijgt, het nadeel is dat je het bijna allemaal al eerder had kunnen lezen. Een groot deel van de ideeënstrijd werd al behandeld in zijn standaardwerk Na de oorlog, zijn voorliefde voor de sociaaldemocratische verzorgingsstaat in het pamflet-essay dat net voor zijn dood verscheen, Het land is moe, en zijn persoonlijke biografie komt ook al ruim aan bod in het postuum uitgegeven De geheugenhut.

Angst

Wie die drie werken al gelezen heeft, kan zich de aankoop van dit boek besparen, ook al omdat het tegen een redelijk onwaarschijnlijk hoge prijs wordt aangeboden. Bovendien is Judt zelf stukken interessanter dan zijn medeauteur Timothy Snyder, die via vaak ellenlange vragen voornamelijk probeert te bewijzen dat hij in de lessen filosofie veel academisch taalgebruik heeft opgestoken. Voor wie Tony Judt nog moet ontdekken, is het dan weer een goede inleiding. Denken over de twintigste eeuw leert bovenal dat deze samenleving, toch de beste die in de wereldgeschiedenis tot stand is gekomen, geen natuurwetmatige vanzelfsprekendheid is, maar haast bij wonderlijk geluk is kunnen ontstaan, en nog steeds niet onbedreigd is. Zoals het een paar weken voor zijn dood werd opgetekend: “De keuze waar wij de komende generatie voor staan, is dus niet kapitalisme of communisme, dan wel het einde van de geschiedenis of de terugkeer naar de geschiedenis, maar wel die tussen de politiek van de sociale cohesie op basis van collectieve doelstellingen en voorzieningen of de erosie van de sociale welvaartsmaatschappij door de politiek van de angst.”

 INFO: Tony Judt & Timothy Snyder, Denken over de twintigste eeuw, Uitgeverij Contact, 480 p., 55 euro.

Yves Desmet, De Morgen.

Aan alle dwarsliggers van goede wil.

Op 22 december werd het werk stilgelegd in de ambtenarij, de lokale besturen, openbaar vervoer, de post, het onderwijs en de havens. In de privésector zijn solidariteitsacties gevoerd. Ondanks de veelzijdige hetze tegen iedereen die durfde te staken, legden honderdduizenden mensen collectief het werk neer. Het was de eerste, maar zeker niet de laatste vakbondsactie tegen de besparingsmaatregelen vervat in het regeerakkoord.

De hetze heeft het signaal enkel sterker gemaakt. Meer dan ooit was er vastberadenheid en overtuiging nodig om aan de staking deel te nemen. De stakingsdag werd daardoor een hoogdag van de democratie: onrechtvaardige beslissingen die op een niet verkozen niveau hun oorsprong vonden (de Europese Commissie en de financiële markten) werden van onderuit door honderdduizenden mensen tegengesproken.

Te vaak vergeten we dat die democratie er nooit gekomen zou zijn zonder die – toen al – door media en goegemeente verketterde stakingen. Te vaak vergeten we ook dat onze sociale bescherming er nooit zou gekomen zijn zonder die alom misprezen stakingen. Stakingen die altijd ‘op het verkeerde ogenblik’ kwamen en die altijd hinder, inkomens- en productieverlies met zich meebrachten. Sociale bescherming waar nooit geld voor was, tenzij er druk werd gezet van onderuit. Dat leert ons de geschiedenis van het syndicalisme, van het socialisme en van de sociaal-democratie.

Vandaag moet datzelfde stakingswapen uit de kast worden gehaald om die historische sociale en democratische verwezenlijkingen te verdedigen en verdere sociale achteruitgang en collectieve verarming te voorkomen. Stakingen,pleinbezettingen en andere acties lijken ons in het huidige klimaat evident, onvermijdelijk en noodzakelijk: of zijn we nu al vergeten dat onze budgettaire en economische problemen niets te maken hebben met het feit of mensen (te) lang leven, maar alles met buitensporige winsthonger? Niet het sociaal verzet maar de allesoverheersende ‘markten’ zouden de pleitbezorgers van de democratie in media en politiek zorgen moeten baren.

De pensioenhervormingen hebben niets met een vergrijzingsprobleem te maken maar alles met het saneren van het begrotingstekort, met het ‘geruststellen van de financiële markten’, het voldoen aan de betuttelende eisen van Europa. Vandaag worden de kosten van de bankencrisis afgewenteld op de werkende bevolking. Nochtans hadden er andere maatregelen genomen kunnen worden. Geen cosmetische ingrepen maar doortastende hervormingen zoals het herstel van een vennootschapsbelasting op 30 procent, een vermogensbelasting, de afbouw van de notionele interestaftrek en de opheffing van het bankgeheim. Geen enkele van deze maatregelen werd ernstig aan de onderhandelingstafel besproken. Opnieuw maakt het parlement zich medeplichtig aan het neerleggen van een belangrijk – zo niet het grootste – deel van de crisisfactuur bij hen die ze niet veroorzaakt hebben: de schoolverlaters, de werkenden en de gepensioneerden.

Schijnalternatieven
Waar blijven dan de maatregelen van het minste kwaad? Waarom worden het sociaal overleg én de stakingsacties genegeerd of gecriminaliseerd? De verkozenen die de rechten van de werknemers zouden moeten vertegenwoordigen zijn vandaag de uitvoerders van de neoliberale recepten van verarming. Hierdoor ontnemen zij de bevolking de hoop dat het anders zou kunnen. Daardoor wordt een deel van die bevolking vatbaar voor gevaarlijke schijnalternatieven zoals nationalisme en rassenhaat. Een dergelijke episode hebben we in onze geschiedenis al eens gekend.

Met een nieuwe recessie in het vooruitzicht zullen er nog meer besparingsmaatregelen volgen. Onder leiding van Merkel en Sarkozy bereidt Europa zich voor om elke uitgave te onderwerpen aan nauwgezette controle. De index is verre van gevrijwaard en sociale rechten zullen verder uitgehold worden onder het mom van ‘modernisering van de arbeidsmarkt’.

Nieuw hoofdstuk
De sociale geschiedenis is altijd geschreven tegen de stroom in en van onderuit, door dwarsliggers. Het is tijd voor een nieuw hoofdstuk. Er is nood aan een nieuwe beweging die de sociale strijd opnieuw een politieke stem geeft. Geen star ideologisch project maar een eigentijds project dat het beste van onze traditie verenigt en verbindt met de revolte van jonge generaties tegen het onrechtvaardige systeem waarin zij opgroeien. Laat ons rond die vlag échte eenheid hervinden. Niet voor onszelf, maar voor de mensen, de planeet en de toekomst van onze kinderen en kleinkinderen. Vandaag betekent een dergelijk project alvast: aan de kant staan van zij die opkomen voor de vrijwaring van onze sociale verworvenheden.


Dit stuk is mede ondertekend door:

Wouter Van Bellingen, schepen (SOS 2012, Sint-Niklaas) en oud-partijsecretaris van Spirit; Jef Sleeckx, ex-sp.a-parlementslid; Elke Heirman, kandidaat ondervoorzitter voor de sp.a in 2007; Jean-Marie De Meester is ex-voorzitter sp.a Oostkamp, OCMW-raadslid; Francine Mestrum, lid van de Internationale Raad van het Wereld Sociaal Forum.