Maand: juli 2011

Vuilniszakken krijgen geen tijd meer om te stinken

Tot voor kort was het een vertrouwd zicht: Vuilniszakken die na een activiteit, weekend of kamp van een groep scouts, Chiro of KSA aan deur werden gezet en pas dagen laten werden opgehaald. Omdat de vergaderingen van de jongeren doorgaans plaatsvinden tijdens het weekend en de vuilniswagen pas langskomt aan het einde van de week, hadden katten, muizen en vogels al die tijd vrij spel. Dat dit tot weinig hygiënische toestanden leidde, weet ook schepen voor jeugd Wouter Van Bellingen (SOS 2012)“. De afvalproblematiek werd al vaak aangekaart binnen de jeugdraad”, vertelt hij. “Jeugdverenigingen zetten hun vuilnis wel aan de straatkant, maar ze hadden weinig mogelijkheden om duurzaam en correct om te gaan met het afval. Bovendien zagen de jeugdgroepen hun afvalberg alleen maar stijgen door het verhuur van hun lokalen aan het jeugdtoerisme.”

Ophaling op maat
De stedelijke jeugddienst ging op zoek naar een oplossing, en vond die in een afvalophaling ‘op maat’. “Er werd een akkoord gesloten met een privé-afvalophaler, die onder voordelige groepsvoorwaarden en na een telefoontje het vuilnis ophaalt”, zegt Tim De Brabander van de jeugddienst. “Er zijn voor alle soorten afval containers waarin het vuilnis kan worden bewaard.”

Jeugdgroepen betalen een maandelijks huurgeld voor de container, de stad sponsorde de sloten op de containers. Intussen sloten er zich al twaalf jeugdsites aan bij de nieuwe afvalophaling, die begin juli in werking trad.

Grote kooi

Freddy Wauman coördineert de diensten die actief zijn op het jeugddomein Puytvoet, en is tevreden met de invoer van het systeem. Voor de ingang van het terrein staat sinds kort een grote kooi met daarin twee afvalcontainers. “In de zomer zijn de vier bivakplaatsen op het domein bijna constant bezet”, legt hij uit. “Ineen zomer tijd is dat goed voor bijna vierhonderd vuilniszakken. Sinds begin deze maand wordt het vuilnis tot bij ons gebracht, en kunnen wij het veilig in de containers droppen. Als die vol zijn, komt een firma die meteen leegmaken.”

Sharonna Van Poppel is met haar scoutsgroep Oostberg uit Nederland een week lang op kamp in Puytvoet. “In een week tijd verzamelen we met onze groep toch al snel zeven zakken vuilnis”, vertelt ze. “Dat kan hier zonder problemen in de containers worden gedropt en opgehaald.” Jeugdsites die hun lokalen verhuren aan andere bewegingen, kunnen de kosten voor de ophaling aan de bezoekende groepen doorrekenen.

BeFo © Concentra

Wir haben es (nicht) gewusst.

Sinds januari ‘11 is Sint-Niklaas, de eerste UNICEF-Soldariteitsstad van België. Die titel ontvingen we omdat we als centrumstad aandacht hebben voor kinderen en kinderrechten en werk maken van internationale solidariteit. Een titel die we dus met grote fierheid dragen en via vele acties van vrijwilligers, scholen, bedrijven en particulieren verdedigen. In dit kader bracht ik samen met de meter en de peter van UNICEF-Solidariteitstad, actrice Viv Van Dingenen en VJ Sean D’hondt eind juni een meerdaags bezoek aan het Centraal-Afrikaans land Burundi. Zo konden we ter plaatste vaststellen dat UNICEF écht het verschil maakt . Niet met de UNICEF-vlag voorop, maar vaak als ondersteunende partner voor NGO’s en de overheid . In de steden Bujumbura en Gitega bezochten we dan ook projecten rond ondersteuning van de re-integratie van kindsoldaten, voorzieningen van drinkbaar water op het platteland, voedingsprogramma’s voor kinderen, een medisch centrum voor de preventie van besmetting met het HIV-virus en een regionaal opvangcentrum voor vrouwen en jonge moeders tgv geweld. Alleen al in 2009 heeft UNICEF ervoor gezorgd dat 750.000 kinderen konden beschikken over basismateriaal zoals schriften en schrijfgerief. Daarnaast heeft de campagne “onderwijs voor elk kind” voordien gezorgd dat 31.240 kinderen die ervoor niet meer naar school konden opnieuw naar school kunnen gaan.

Maar de uitdagingen voor Burundi, een land met een bevolking van 8,3 miljoen inwoners, één van de dichtstbevolkte van Afrika en net iets kleiner dan België blijven groot. Net als zijn meer bekende buurlanden Congo en Rwanda is Burundi sinds zijn onafhankelijkheid in ’62 meermaals geplaagd geweest door de gewelddadige, geïnstitutionaliseerde door het Belgische kolonialisme twisten tussen Hutu’s en Tutsi’s. De langdurige burgeroorlog heeft 10 jaar lang het land volledig ontwricht en vandaag blijft het land nog altijd bijzonder kwetsbaar. Niet voor niets bevindt Burundi zich op de 166ste plaats van 169 landen in de rangorde van de menselijke ontwikkeling,. is het staatsbudget nog voor een groot deel afhankelijk van internationale hulp, en leeft 2/3 van de bevolking onder de armoedegrens. Vooral kinderen, de helft van de bevolking en vrouwen zijn vaak het zwaarst getroffen en lijden onevenredig veel onder de beperkte toegangsmogelijkheden tot elementaire sociale diensten, onder analfabetisme en onder een tekort aan voedsel. Bovendien heeft het land te maken met een toenemend aantal landgenoten die terugkeerden nadat ze gevlucht waren naar Tanzania in 1972 bij de eerste genocide – het geboortejaar van ondertekende – en 1993 bij de tweede genocide. Sinds 2002 keerden dan ook meer dan 500.000 vluchtelingen terug uit Tanzania en 313.000 ontheemden. Alleen al in Rangi- Nyanza, een regio even groot als het Waasland, 300.000 inwoners, komen er maandelijks 600 à 1000 mensen terug uit Congo en Tanzania. Die massale terugkeer van vluchtelingen heeft nog meer druk gelegd op de sociale diensten en de onaangepaste structuren van gezondheidszorg, onderwijs en watervoorziening.

Maar toch kan het anders: door de vruchtbare vallei aan het Tanganyikameer en de bergen te cultiveren voor de consumptie voor de eigen bevolking ipv koffie en theeproductie voor export, een doorgedreven gezinsplanning van 6 naar 2,5 kinderen/gezin en nu wel ondersteund door de machtige katholieke kerk en de economische ontwikkeling van toerisme aan de oevers van het meer en de bergen. Momenteel is België de grootste donor met 150 miljoen euro hulp op 4 jaar tijd. Maar dit volstaat niet. België heeft de morele plicht om meer te doen en de EU en de andere Europese landen zoals Duitsland ook een oud kolonisator op sleeptouw te nemen. Op momenten als deze ben ik enerzijds tevreden, anderzijds ontgoocheld. Als kleine centrumstad probeert Sint-Niklaas via zijn internationale samenwerking een stukje bij te dragen tot een betere en rechtvaardige wereld door onze samenwerking met buitenlandse partnersteden Tambacounda ( Senegal), Al-Hoceima (Marokko), Suqian (China). Als nu elke stad in België en verder nog in Europa zijn kleine steentje zou bijdragen ben ik overtuigd dat de gemeenten en steden kunnen slagen daar waar nationale overheden mislukken: via internationale samenwerking meewerken aan capaciteitsopbouw bij lokale besturen in het Zuiden’ en daar waar nog nodig noodhulp bieden.  Zoniet moeten we niet schrikken dat we binnen een aantal jaar terug een genocide hebben in Burundi en en zeggen “Wir haben es (nicht) gewusst”.

Wouter Van Bellingen.

Schepen van internationale samenwerking van de UNICEF-Solidariteitsstad Sint-Niklaas en een verontruste “ Vlaamse Tutsi”.