Maand: januari 2008

Mijn Moeder: Wouter Van Bellingen – Simonne Maes

Een knalgroen hemd en een aanstekelijke schaterlach, zelfs een blinde zou hem vinden. We zitten in de majestueuze trouwzaal van het stadhuis waar schepen Van Bellingen bijna het recordaantal huwelijken in Sint-Niklaas verbroken had. Maar het laatste huwelijk van 2007 ging niet door. Er liep een klacht bij de politie tegen de aanstaande bruid. ‘Deze keer heb ík geweigerd,’ grinnikt Wouter. Humor, het heeft Wouter groot en sterk gemaakt. ‘Ik kom uit een zwarte familie,’ grapt hij als hij vertelt hoe zijn vader na de oorlog gestraft is voor zijn lidmaatschap van een Duitsgezinde jeugdvereniging.

    Wouter is de benjamin, het ‘kakkenestje’. Vader en moeder Van Bellingen hadden al drie kinderen geadopteerd toen de telefoon rinkelde en nummer vier werd aangeboden. Z’n moeder was een studente in Namen, die wellicht niet terug kon naar Rwanda met dit menselijk verrassingspakket. Wouter viel met zijn gat in de boter, het warme nest van de Van Bellingens. De tevredenheid straalt uit zijn ogen als hij over zijn kinderjaren vertelt.
Als we na de middag Simonne opzoeken, is ze net haar nieuwe fiets aan het buitenzetten. Normaal doet ze alles met haar oude fiets, waarop vooraan een plooibak gemonteerd is voor haar boodschappen of als ’t echt moet, haar jongste kleinkind. Maar met dat oud vehikel wil ze niet op tv. Voor de gelegenheid mag haar nieuwe fiets buiten, gekregen voor moederdag.
We vallen met de deur in huis. Simonne woont klein maar fijn. Om de camera’s geplaatst te krijgen en de tafel uit beeld te houden, moeten de tafelpoten eruit. Geen probleem voor Simonne, haar kringlooptafel is haar zorg niet, de mensen die er rond zitten zijn dat wel. Kinderen, kleinkinderen, pleegkinderen, vluchtelingen… ze mag dan 70 zijn, mensen helpen blijft de aard van het beestje. Betogen doet ze ook nog, tegen de opsluiting van kinderen in gesloten asielcentra. ‘Soms zie ik er wel eens tegenop, maar als ik de moed verlies en anderen ook, wat dan ?’
Vier kinderen groot en gelukkig krijgen, dat vreet energie, weet ik uit ervaring, maar als ik Simonne hoor vertellen, lijkt het kinderspel. De tijd doet de zorgen vergeten, maar één zorg is ze niet kwijt, de kleur van haar zonen en nu ook van haar kleinkinderen. Om hen te wapenen, stuurde ze haar kroost de wereld in, de jeugdbeweging, de academie, het knapenkoor. Veel vrienden moesten ze maken, zodat ze in nood ware vrienden zouden hebben.
Rond vier uur stormen drie kleinkinderen binnen. Een uur later gaat Simonne de twee kinderen van Wouter halen. Ze blijven alle vijf slapen. ‘Ze kunnen hier met tien slapen,’ zegt grootmoe en ik twijfel er niet aan dat dat ook gebeurt.
De volgende morgen heeft Wouter de kranten bij voor Simonne. In één van de kranten staat dat het optreden voor Music for Life de avond voordien door enkele honderden mensen werd bijgewoond. Wouter neemt z’n telefoon. ‘Het waren er rond acht uur al drieduizend,’ horen we hem zeggen. De journalist legt de schuld bij de eindredacteur, Wouter belt de eindredacteur, maar vangt bot. ‘Tien uur en die is nog niet op z’n werk, wat is dat voor een eindredacteur.’ Hij zal volhouden tot hij de man in kwestie aan de lijn heeft gehad en hem rustig maar kordaat zijn mening heeft gezegd.
Wouter heeft het niet van vreemden, zijn engagement. Ook een geadopteerde appel valt niet ver van de boom. Maar Simonne heeft haar kinderen geleerd dat er nog een boom was, de vrouw die de moed heeft gehad om hen af te staan en hen zo een toekomst te geven. ‘Ze verdienen een decoratie, die moeders,’ zegt ze. Simonne ook.
Phara De Aguirre schrijft elke week een voorbeschouwing bij het programma ‘Mijn moeder’. Canvas, zondag 27 januari, 20.55
De standaard.